Het pronomen personale als subject

Singularis

ik

je/jij (informeel), U (formeel)

ze/zij, hij

Singularis

Ik heet Hanna.

Kom je uit Deurne? , Komt U uit …?

Hij heet Paul.


Pluralis

we/wij

je/jij (informeel), U (formeel)

ze, zij

Pluralis

We wonen in Rotterdam.

Jullie komen uit … , U komt uit Spanje …

Ze hebben twee kinderen.


Let op :

Kom je uit Amsterdam (je: neutrale vorm)

Ik kom uit Maastricht. En jij ? Waar kom jij vandaan ? (jij: contrast)

Ze heet Anne. (ze: neutrale vorm)

Ik heet Paul. Zij heet Anne (zij: contrast)

Plaats een reactie