‘Hebben’ en ‘zijn’ in het presens

Singularis

singularis

ik

je/jij, u

ze/zij

hebben

heb

heb t ; heb je

heeft

zijn

ben

bent ; ben je

is


Pluralis

pluralis

we/wij

jullie

ze/zij

hebben

hebben

hebben

hebben

zijn

zijn

zijn

zijn


Let op :

Je hebt een zus. > Heb jej een zus ?

Je bent de nieuwe cursist. > Ben je de nieuwe cursist ?

Plaats een reactie