Het presens

Singularis

Singularis

ik

je/jij, u

ze/zij

bellen

bel

bel t ; bel je

bel t

werken

werk

werk t ; werk je

werk t

kijken

kijk

kijk t ; kijk je

kijk t


Pluralis

Pluralis

we

jullie

ze/zij

bellen

bell en

bell en

bell en

werken

werk en

werk en

werk en

kijken

kijk en

kijk en

kijk en


Let op :

Je belt de krant > Bel je de krant?

Je werkt in Zwolle > Werk je in Zwolle?

Je kijkt op internet > Kijk je op internet?

Plaats een reactie