Idioom

titel

te gek voor woorden                                                  heel erg, belachelijk

subthema 1

brokken maken                                                           problemen of schade veroorzaken

ergens verzeild raken                                                toevallig ergens komen

kijken wat voor vlees je in de kuip hebt              onderzoeken met soort mensen je te maken hebt

subthema 2

dat kunt u niet maken                                               dat kunt u niet doen

een boze blik werpen                                                boos kijken

je mond houden                                                         niets zeggen

je mond open doen                                                   je mening geven

navraag doen                                                              informatoe vragen voor iets wat eerder gebeurd is

van geluk mogen spreken                                       veel geluk hebben dat een situatie goed is afgelopen

voor de hand liggen                                                   logisch, vanzelfsprekend zijn

zich rot schrikken                                                       heel erg schrikken

subthema 3

onder druk staan                                                       gedwongen worden iets snel te doen

vreemdgaan                                                                 seksueel contact hebben met iemand andersdan je eigen partner      

Verbindingen

Subthema 1

contact leggen met iemand
een training geven
horen bij iets/iemand
in feite
indruk maken
onder controle
per se
zoeken naar iets/iemand  

Subthema 2

een gewoonte maken van iets
gevoelig zijn voor iets/iemand
het recht hebben
Subthema 3

de aandacht trekken
iemand overtuigen van iets
iemand/iets belachelijk maken
iets tot gevolgd hebben
onder andere (o.a.)
ondergeschikt zijn aan iets/iemand
tot slot  

Subthema 4

dat wil zeggen (d.w.z)

Manieren van lezen

Intensief lezen

Je leest intensief als je een tekst helemaal wilt begrijpen. Je moet dan precies weten welke woorden in een zin bij elkaar horen en welke woorden naar (een deelvan) een andere zin verwijzen.

Kijk naar onderstaande zinnen.

  1. Ik zit niet op Facebook, en ik wil er ook zeker geen profiel hebben. Het woord ‘er’ in de tweede zin verwijst naar ‘Facebook’. Het verwijst naar een woord in de vorige zin.
  2. En al dat neuzen levert vervolgens ook weer stress op. Het woord ‘op’ hoort bij ‘levert’. Het verbum is ‘opleveren’.
  3. Je staat voortdurend onder druk.

Het woord ‘druk’ hoort bij ‘onder’ en ‘staat’. ‘Onder druk staan’ is een uitdrukking.

Extensief lezen

Je leest extensief als je snel bepaalde informatie in een tekst wilt opzoeken. De lay-out van een tekst kan je daarbij helpen.

  • De titel, ondertitel en tussenkopjes geven belangrijke informatie.
  • De witregels geven aan dat er een nieuwe tekstdeel (een alinea) begint.
  • Na de indeling en voor het slot staat ook vaak een witregel.

Als je snel wilt weten waar een tekst over gaat, lees dan de titel en de ondertitel, als die er is. Als de tekst een inleiding en een slot heeft, lees die dan ook.

Tot slot een tip: lezen in het Nederlands wordt pas echt leuk als je niet meer over elk woord en elke zin hoeft na te denken. Probeer daarom ‘kilometers’ te maken door alles te lezen wat je tegenkomt. Op die manier verhoog je je leessnelheid.

De hoofdzin met inversie

1

In dat tijdschrift voor computer liefhebbers  

Volgens communicatietrainer Van Burik
2

staat  


is
3

een leuke reclame.  


de eerste zin van een praatje niet belangrijk.  

Het eerste deel van een zin met inversie kan uit veel woorden bestaan. Dat zijn woorden die bij elkaar horen.

Let op:

Na het zinsdeel in positie 1 komt geen komma: het hoort bij de hoofdzin.

In onderstaande zin staat wel een komma:

0

Ja,
1

deze reclame
2

vind
3

ik
4

heel humoristisch.

De hoofdzin met inversie begint namelijk pas na ‘ja’.

Bezitsrelaties

mijnMijn moeder zegt altijd …
…sMarks vriendin zei …
…’sAnna’s buurman zei
… vanDe dochter van mijn buurvrouw zei …
… z’n / d’rMijn buurvrouw d’r dochter zei … (vooral in spreektaal)
die / dat van mijIs dit jouw koffie of die van mij? Is dit jouw kopje of dat van mij? Die/dat van mij, geloof ik.
mijn koffiedie van mij(de koffie)
jouw moederdie van jou(de moeder)
uw huisdat van u(het huis)
zijn autodie van hem(de auto)
haar abonnementdat  van haar(het abonnement)
onze verhalendie van ons(de verhalen)
jullie krantdie van jullie(de krant)
hun praatjedat van hun(het praatje)

Soms wordt ook het pronomen met -e gebruikt om te verwijzen naar bezit.

de / het mijne                   Is dit jouw koffie of de mijne?

                                            De jouwe, volgens mij.