Het presens

Singularis

Singularis

ik

je/jij, u

ze/zij

bellen

bel

bel t ; bel je

bel t

werken

werk

werk t ; werk je

werk t

kijken

kijk

kijk t ; kijk je

kijk t


Pluralis

Pluralis

we

jullie

ze/zij

bellen

bell en

bell en

bell en

werken

werk en

werk en

werk en

kijken

kijk en

kijk en

kijk en


Let op :

Je belt de krant > Bel je de krant?

Je werkt in Zwolle > Werk je in Zwolle?

Je kijkt op internet > Kijk je op internet?

Het pronomen personale als subject

Singularis

ik

je/jij (informeel), U (formeel)

ze/zij, hij

Singularis

Ik heet Hanna.

Kom je uit Deurne? , Komt U uit …?

Hij heet Paul.


Pluralis

we/wij

je/jij (informeel), U (formeel)

ze, zij

Pluralis

We wonen in Rotterdam.

Jullie komen uit … , U komt uit Spanje …

Ze hebben twee kinderen.


Let op :

Kom je uit Amsterdam (je: neutrale vorm)

Ik kom uit Maastricht. En jij ? Waar kom jij vandaan ? (jij: contrast)

Ze heet Anne. (ze: neutrale vorm)

Ik heet Paul. Zij heet Anne (zij: contrast)